Als mensen elkaar tegenkomen is het gebruikelijk om op z’n minst kort oogcontact te maken en met een flauwe glimlach om onze mondhoeken een nauwelijks merkbaar hoofdknikje te maken. Kennen we de persoon, dan geven we elkaar een knuffel, zoen op de wang of we laten onze tongen met elkaar spelen. Voor het bekrachtigen van een afspraak achten we het noodzakelijk om onze plakkerige handpalmen tegen elkaar aan te plakken en door de lucht op en neer te laten stuiteren. Een handdruk die wordt geweigerd haalt dat de voorpagina. Objectief gezien slaat het allemaal nergens op. De gemaakte afspraken staan zwart op wit, de handtekeningen zijn gezet en die extra fysieke aanraking verandert juridisch helemaal niets. Maar miljoenen jaren van evolutie hebben ervoor gezorgd dat het er voor ons brein wél toe doet.
Als menselijke soort zijn wij namelijk gevormd in overzichtelijke gemeenschappen van jagers-verzamelaars. Onze directe leefwereld bestond tienduizenden jaren lang uit een groep van hooguit vijftig mensen, organisch opgebouwd uit verschillende gezinnen. Natuurlijk werd er af en toe vriendschappelijk gehandeld en genetisch materiaal uitgewisseld met naburige stammen, maar het dagelijks overleven deed je fundamenteel mét en dóór je eigen groepje. Conflicten binnen de stam werden ’s avonds direct bij het kampvuur uitgesproken. Samen dansen, zingen en muziek maken rond de vlammen zorgde voor verbinding en ontlading. Informatieoverdracht ging van mond tot mond, waarbij men elkaar aan kon kijken. In die setting leerden we hoe belangrijk het was om de non-verbale signalen van anderen te herkennen: een subtiele frons, het nerveus ontwijken van oogcontact, of een hapering in de stem. Dit soort micro-expressies bepalen tot op de dag van vandaag of je jouw oersysteem instelt op veiligheid en vertrouwen, of op vechten en vluchten.
De hechte, fysieke gemeenschap waarin wij als soort zijn ontstaan, is heel anders dan de complexe maatschappij waarin de meesten van ons nu leven. Niet dat we per se terug moeten naar onze primitieve oorsprong; een e-mail kan super-efficiënt en doeltreffend zijn. Het is echter cruciaal om ons ervan bewust te zijn dat onze primatenhersentjes niet altijd even goed kunnen dealen met de dynamiek van de moderne netwerksamenleving. Vandaag de dag vindt informatieoverdracht in sneltreinvaart plaats, vaak zonder oogcontact of aanraking. We communiceren via schermen, filters en ondoorgrondelijke algoritmes. Mensen die zich in onze veeleisende, hyper-geïndividualiseerde maatschappij niet gehoord of gezien voelen, missen de geborgenheid van een traditionele, fysieke gemeenschap. Zij gaan online op zoek naar gelijkgestemden.
Op digitale platforms vinden deze eenzame individuen elkaar in echokamers waarin extreme ideeën elkaar niet bepaald corrigeren. Fake news en complottheorieën verspreiden zich in deze netwerken sneller dan welk biologisch virus dan ook. Neem de ‘manosfeer’: een netwerk van platforms en fora waarbinnen extreme misogynie, frustratie en anti-feministische sentimenten elkaar in een moordend tempo versterken en escaleren. Het is een giftige, virtuele gemeenschap die volledig gedijt op uitsluiting, vijandbeelden en polarisatie. Het tragische is dat deze platforms in de kern misbruik maken van een diepmenselijke, legitieme behoefte. Het brein van een gefrustreerde jongere die urenlang in de manosfeer rondhangt, zoekt ten diepste naar precies dezelfde sociale veiligheid, status en validatie als de jager-verzamelaar rond het prehistorische kampvuur.
Maar er is een cruciaal verschil in de dynamiek. Waar het fysieke kampvuur door directe, face-to-face feedback en sociale controle de scherpe randjes van een dreigend conflict afsneed, werkt het online algoritme juist als een extreme katalysator voor escalatie. Zonder de natuurlijke rem van het fysieke oogcontact, en zonder de dempende werking van elkaars fysieke aanwezigheid, wordt de ander (vrouw, boer, wappie, elitair links, noem maar op) niet meer als mens, maar als een abstracte vijand gezien.
De vergelijkende psychologie en de neurowetenschappen herinneren ons eraan dat de context waarin we met elkaar communiceren minstens zo belangrijk is als de boodschap zelf. We kunnen en willen de moderne technologie uiteraard niet terugdraaien, maar we moeten wel ruimschoots erkennen dat ons emotionele besturingssysteem nog altijd in de oertijd leeft.
Oogcontact, aanraking, en het delen van ervaringen en verhalen in een gezamenlijke, fysieke setting zorgen ervoor dat we het perspectief van de ander beter kunnen innemen. We zien en voelen de ander immers letterlijk, wat ons brein direct het signaal van verbinding geeft. Laten we dat veilige kampvuur dus zo vaak mogelijk blijven opzoeken. Wie is er klaar voor de zomer?
Image copyright : Eric Dufresne from Trois-Rivières, Canada, CC BY 2.0 https://creativecommons.org/licenses/by/2.0, via Wikimedia Commons